Verjaardag

Een laatste blik in de kamer. Het huis waarin hij bijna drie jaar had gewoond. Tweedehands meubels, sleetse vloerbedekking. Niets van enige waarde, geen herinnering die ertoe deed.

Met zijn oude Volvo reed hij naar het andere huis. Els deed voor hem open. ‘Zorg je dat je op tijd bent vanavond? Zes uur, uiterlijk half zeven. Ik wil geen gedoe.’ Ze stapte opzij en liet Mieke en Pim naar buiten. Hij hurkte neer en gaf zijn kinderen een knuffel. ‘Zijn jullie er klaar voor?’

Hij ging met hen naar het ponypark en betaalde vijfendertig euro entree. Een paar uur lang vermaakten zijn kinderen zich met de paarden. Hij dronk een blikje bier en twee koppen koffie op het terras en bietste een sigaret bij een andere vader.

Na afloop aten ze friet met mayonaise en een frikandel. Pim vroeg hoe oud hij was geworden. ‘Vier keer zo oud als jij.’ Elk van hen had een tekening voor hem gemaakt, Pim van een vrachtwagen, Mieke van een vis.

Net toen hij om kwart voor zeven de afslag naar het bos nam, ging zijn telefoon. In de achteruitkijkspiegel zag hij dat Pim en Mieke lagen te slapen. Hij legde het toestel in het dashboardkastje en zette de radio aan.

Standaard

Spanje

Ik heb visioenen. Lammeren in een wei. Twee naakte meisjes die me verzorgen. Ik geloof dat het engelen zijn.

Gisteren kwam ik langs een drinkbak voor vee. Er stond een laagje water op de bodem. Ik heb ervan gedronken. Ik weet niet of algen giftig zijn.

Eindelijk is de zon achter de bergen gezakt. De hitte begint uit het zand te verdwijnen, de rotsen kleuren blauw. Sinds twee dagen word ik gevolgd door een grote vogel. Als het donker wordt, zweeft hij weg in westelijke richting. ‘s Ochtends vindt hij me weer. Een vogel met de vorm van een kruis.

De blaren op mijn voeten zijn ontstoken. Ik ben begonnen met spullen uit mijn rugzak te gooien en heb een T-shirt aan een tak van een dode boom gehangen en een opgerolde handdoek over het pad gelegd. Vanmiddag ben ik uren in de weer geweest met het stapelen van stenen. Tot nu toe ben ik niets van mezelf tegengekomen onderweg.

Het spijt me, liefste. Ik had naar je moeten luisteren. Je hebt het me gezegd.

Standaard

Woestijnwind

Om half drie stuur ik de kinderen naar huis. Ik zet de tafels en stoelen recht, wis mijn lessen van het bord en doe de luiken dicht alsof het vakantie is.

Als ik buiten kom, prikt de wind in mijn ogen. De lucht is troebel en geel. De kerk van de Heilige Antonius verdwijnt achter een waas van stof en fijn zand. Ik steek het plein over en neem een van de kronkelstraten door het labyrint in de richting van mijn studio-appartement.

Onderweg koop ik ham en brood. In een bar naast de bakkerij drink ik een espresso aan de toog. De paar aanwezigen zitten stil te wachten. Met een ongerustheid die ik niet van hem ken, schenkt de kastelein een maatje whisky voor me in. ‘Dit wordt een stevige,’ zegt hij.

Tegen vieren lijkt het schemertijd. De was is van de lijnen gehaald. Het licht uit de huizen dringt door de kieren en spleten van de blinden. Ik eet van het brood en word loom van de wijn.

Op het vaste tijdstip verlaat de manke overbuurman zijn huis. Vanaf mijn plek aan tafel, tussen de planten en cactussen door die op het balkon staan, zie ik hem met de klep van zijn pet over zijn ogen en een arm voor zijn gezicht als een schim door de steeg hinken. Een ogenblik later schuift zijn vrouw het gordijn opzij. Met een lange lucifer steekt ze de beide kaarsen in de vensterbank aan. Wat later zie ik hoe ze voor de spiegel, achter in de kamer, haar haren borstelt, zich opmaakt, van bloes wisselt. Ik schenk het laatste beetje wijn in mijn glas en leun achterover, wippend op de achterpoten van de keukenstoel.

Rond etenstijd loopt ze met een in een theedoek gewikkeld pannetje de deur uit en volgt het spoor van haar man naar de haven. Vlug trek ik mijn vest aan en ga naar beneden. Ik moet me haasten om in haar buurt te komen. ‘Martha,’ roep ik. Mijn stem gaat verloren in de wind.

Ze neemt een steegje dat met een bocht naar beneden loopt. De punten en franjes van haar omslagdoek wapperen over haar schouders. ‘Martha,’ roep ik opnieuw. Ze kijkt om en versnelt haar pas.

Ik slaag erin haar voorbij te gaan en versper haar de weg. De donkere zee buldert, golven slaan over de kademuur. Het water dat schuimend uit de putten stroomt komt bijna tot aan de stoeprand.

Ze probeert me opzij te duwen. ‘Laat me er langs.’
Ik druk haar tegen een muur en wil haar kussen. Ze wendt haar gezicht af.
‘We moeten praten,’ zeg ik.
‘Je hebt gedronken. Laat me er langs.’
‘Ga niet naar hem toe. Kom met mij mee.’
‘Jij betekent niets voor me. Met al je dure woorden. Eduardo is mijn man.’
Ze loopt weg en slaat een andere straat in, een steeg als een kamelenrug. In een werveling van zand en duisternis verdwijnt ze tussen de huizen.

Standaard

De brief

In de auto had hij de woorden opgedreund. De brief lag naast hem op de passagiersstoel.

Op het afgesproken tijdstip verscheen ze bij het hek van het natuurgebied. Hij stapte uit en volgde haar over het rijwielpad. De zon was onder, een vleermuis tuimelde door de avondlucht.

Via een houten brug stak ze het water over, om vervolgens achter een rietkraag te verdwijnen. Hij liep naar de overkant, naar een plek op de oever waar een bankje stond, en ging zitten.

Een ogenblik later kwam ze uit het bos tevoorschijn. Naakt, mager, spierwit. Ze maakte haar borst en schouders nat en gleed het water in.

Met kalme slagen zwom ze naar het midden van de plas. Ze liet zich op haar rug drijven, met haar hoofd achterover en haar armen gespreid. Haar opgerichte tepels glommen in het maanlicht.

Hij pakte de brief uit zijn jas en zat er een poosje mee in zijn handen. De zomer was voorbij, er zat kou in de lucht. Over het water lag een doodskleed van dunne nevel.

Standaard

Koorts

‘Hij heeft me gebeten. Dat rotjoch heeft me gebeten. Kom terug.’ De man ging achter hem aan, maar de jongen slaagde erin te ontkomen. Hij rende het huis uit, stak de straat over, kroop onder het prikkeldraad door en verdween tussen de struiken. Een wirwar van takken. Brandnetels. Doornen als haaientanden waaraan hij zijn arm openhaalde.

Op handen en knieën volgde hij een spoor van platgetrapt gras. Vond duivenveren, een geringd pootje, plukken konijnenvacht.

Hij verliet het bos. Het spoor kwam uit op een pad dat van heuvel tot heuvel slingerde door het eerst omgewoelde en vervolgens weer begroeide terrein. Hier en daar was tussen het gras te zien waaraan men ooit begonnen was: afrasteringen van houten paaltjes, betonnen waterputten, pompen.

Vanaf de heuvel, een met varens en gras bedekte zandhoop, zag hij het huis. Hij zoog het bloed uit de kras op zijn arm, spuugde een fluim naar beneden, veegde het zweet van zijn gezicht. De vriend van zijn moeder kwam naar buiten, stapte in zijn auto en ging er met slippende banden vandoor.

Soms was hun geruzie tot hier te horen. Ze maakten vaak ruzie met elkaar. Schreeuwden. Smeten met dingen. Met deuren. Zowat na elke ruzie bleef de nieuwe vriend een paar dagen weg.

De jongen liep naar beneden, naar de rioolpijp die onder aan de heuvel lag, schoof de takken en planken opzij die de opening versperden en kroop door het donkere gat. Halverwege de pijp lichtten twee ogen op. Een kop die zich verhief, weer neerzeeg.

‘Niet bang zijn, ik ben het.’ Hij gooide het stuk leverworst dat hij had meegesmokkeld in de richting van de hond en ging zitten. Nat van het zweet leunde hij achterover. Ook ’s nachts had hij deze koorts. Hij droomde dat hij lange haren en puntige tanden kreeg en veranderde in een wolf. Zijn moeder zei dat hij griep had en in bed moest blijven. Maar vanochtend voelde hij zich goed genoeg om op te staan.

De hond at niet van de worst. Een kleine week geleden hadden ze haar door het veld zien dwalen, hinkend, gewond. ‘Arm dier,’ had zijn moeder gezegd. ‘Blijf maar beter uit zijn buurt.’

Elke dag bracht hij haar te eten. Ze had nog nooit naar hem gegromd. Behalve de keer dat hij de wond op haar voorpoot had willen schoonmaken. Toen was ze hem aangevlogen en had hem gebeten. Maar dat had nauwelijks zeer gedaan.

Standaard

Ritueel

Dit is haar ochtendritueel. Ze staat op als de zon nog achter de huizen staat, fietst over de dijk naar de uiterwaarden, kleedt zich uit en loopt het water in.

Het water speelt met haar. Trekt zacht. Laat weer vieren. Trekt opnieuw.

Voorbij de kribben. Deze maand is ze elke dag iets verder gegaan. Zelfs de koeien kennen het gevaar. Met hun kop tussen de schouders en malende kaken staren ze haar aan.

Vorig jaar was er een voorbijgekomen. De opgeblazen, roze buik. De in de lucht stekende poten. Stroomafwaarts. Op de rug van de slang. Helemaal door de bocht.

Er is een stem, nauwelijks meer dan een zucht van de wind die over het water strijkt. Vanavond is het vollemaan. Is het de maan die roept? Ze kent de stem. Het is de slang.

Standaard

Zuid

Hij stootte zijn teen tegen de drempel, kon vervolgens het lichtknopje niet vinden. Het bloed hoopte zich op onder de nagel, stulpte langs de randen en stroomde weg over zijn voet. Hij veegde het weg met de handdoek en wikkelde wc-papier om de teen. Plaste. Bekeek zijn grauwe gezicht in de spiegel, kneep een mee-eter uit.

Oranjegeel licht scheen door de dunne gordijnen. Hun kleren lagen verspreid over de vloer. Het was nog donker buiten. Hun kamer bevond zich aan de achterzijde van het motel, lag aan de galerij en keek uit op de blinde muur van een bedrijfsgebouw. Een schijnwerper verlichtte een reusachtig reclamebord: INTERMARCHÉ.

Hij ging op de rand van het bed zitten en pakte zijn telefoon van het nachtkastje. Er was een bericht binnengekomen, het trilgeluid had hem gewekt. Op haar zij, met haar rug naar hem toe en weggekropen onder de deken, lag Noëlle te slapen.

Zijn adem wolkte. Toen ze naar bed gingen, had hij de verwarming lager gezet. Niet lang meer en het zou winter zijn. Hij had nooit van de winters in het Noorden gehouden. Sneeuw, ijs, kou.

‘Raymond, ik wil met je praten. Waar ben je? Kun je me bellen alsjeblieft? We maken ons zorgen.’ Hij legde het toestel terug op het nachtkastje en nam zijn voet tussen zijn handen. Het bloed begon door het wc-papier te lekken. Een vlammende pijn toen hij voorzichtig op de nagel drukte.

Noëlle kwam overeind en sloeg de deken over zijn schouders. ‘Wat is er? Je bloedt.’ De warmte van haar jonge lichaam. Er brandde een groot vuur in haar, dat ook dat van hem gaande hield. Zijn vuur was een klein vuur, dat tot de dag van hun eerste ontmoeting, ver van het schoolplein, in een nauwelijks minder kille kamer, zo goed als was uitgedoofd.
‘Ik heb me gestoten.’
‘Doet het zeer? Denk je dat je zo kunt rijden?’

Met een kussen in zijn rug ging hij tegen het hoofdeinde zitten. Noëlle wikkelde zich in de deken en legde haar hoofd tegen zijn borst. ‘Ik heb gedroomd,’ zei ze. ‘We werden overvallen door een storm en de lucht was vol bladeren. We konden de weg voor ons niet meer zien.’

Standaard